Logo Universiteit Utrecht

Keltisch

't Keltisch Draakje

Studenten over: Franse leenwoorden in het Middelbretons

Door Pierre Faure, RMA Student

Eén van de leukste dingen aan de opleiding Keltisch is de veelzijdigheid. Waar je je bij Frans, Duits, of Spaans verdiept in één taal, krijg je bij de opleiding Keltisch te maken met een hele rits aan talen, zij het uit de oudheid (bij het vak Continental Celtic), uit de middeleeuwen (bij de vakken Oudiers en Middelwels), of uit de hedendaagse Keltisch-sprekende gemeenschappen (bij het vak Modern Celtic). Maar wat je pas te weten komt als je Keltisch gaat studeren, is dat er onder studenten een heuse ‘gekke-talen’-cultuur heerst (niet alléén Keltisch!) en dat onze docenten jaarlijks worden benaderd met verzoeknummers: ‘We willen Oudnoors leren!’, ‘hé, ik hoorde dat u Oudkerkslavisch kunt geven!’, et cetera. In mijn tweede jaar van de bachelor stelde een klasgenoot de vraag aan onze hoogleraar Peter Schrijver: ‘kunnen we in blok 4 Middelbretons doen?’. Daar ben ik toen bij gaan zitten, en sindsdien ben ik verknocht geraakt aan die taal. Waar anderen op Erasmus-uitwisseling gingen naar Ierland of Wales, ging ik naar Bretagne; als we bij een vak een opstel moesten schrijven, kon je je pijl erop trekken: daar komt Pierre weer met z’n Bretons.

Ook mijn masterscriptie ging over Middelbretons en had als hoofdvraag: ‘wat gebeurt er in het Middelbretons met Franse leenwoorden die beginnen met v?’. Om te begrijpen waarom dit een interessante vraag is, moet ik eerst een paar dingen uitleggen. Het Middelbretons kent, net als alle andere middeleeuwse en moderne Keltische talen, een systeem van zogeheten ‘mutaties’, waarbij de beginklank van woorden kan veranderen afhankelijk van het voorafgaande woord. Een voorbeeld hiervan (uit het Bretons, natuurlijk!) is penn ‘hoofd’, da benn ‘jouw hoofd’, ma fenn ‘mijn hoofd’: in deze voorbeelden ondergaat het woord penn ‘hoofd’ dus mutaties, die worden veroorzaakt door het voorafgaande bezittelijk voornaamwoord. Maar een eigenaardigheid (of liever, narigheid) is dat in het Middelbretons de bovengenoemde mutaties vrijwel nooit worden opgeschreven. Je ziet dus, om het eerdere voorbeeld te hergebruiken, penn ‘hoofd’, da penn ‘jouw hoofd’, ma penn ‘mijn hoofd’. Er is dus een contrast tussen hoe het Middelbretons werd opgeschreven, en hoe het werd uitgesproken.

Waarom is die v dan zo interessant? Dat heeft te maken met het feit dat Bretonse woorden normaliter niet beginnen met v: die klank bestaat namelijk vooral als gemuteerde vorm van b (of m, en een begin-v komt ook nog voor in enkele andere nogal ingewikkelde situaties, die ik je hier zal besparen). Buiten zogeheten ‘mutatiecontexten’ komt een v aan het begin van een Bretons woord dus maar heel zelden voor. Het Frans, daarentegen, heeft geen enkel probleem met een v aan het begin van het woord. Dus: wat gebeurt er dan als een Frans woord, zoals vœu ‘wens’, of verger ‘wijngaard’, terechtkomt in een Bretonse zin waar géén mutatie hoort op te treden? Wordt het dan iets als bœu, berger? Of blijft het zoals in het Frans?

Nou… er gebeurt bijna niets. Het overgrote merendeel van de onderzochte woorden behoudt de v. Maar een klein aantal van die leenwoorden heeft in het Middelbretons wél een b gekregen, bijvoorbeeld Frans verger ‘wijngaard’ → Middelbretons bergez. Wanneer je alle Franse v-woorden die voorkomen in het Middelbretons gaat volgen naar het vroegmodern en modern Bretons, merk je dat sommige woorden later óók een vorm met b krijgen. Toch behoudt alsnog een groot deel de v.

Dit gegeven is interessant, omdat het ons iets vertelt over de manier waarop het Bretons omgaat met haar leenwoorden. Een belangrijk concept uit de theorie van het taalcontact (de tak van sport die bestudeert hoe de een taal de ander kan beïnvloeden) houdt in dat leenwoorden worden aangepast aan de uitspraak van de ontvangende taal. Je kunt je dan afvragen of iets als mutatie, wat wel met klanken te maken heeft, maar eigenlijk een soort grammaticaregel is, óók aanpassing van leenwoorden vereist eer ze worden opgenomen in het Bretons. Uit mijn onderzoek blijkt dus dat dat doorgaans niet het geval is, maar of dit ook voor bijvoorbeeld het Iers of het Wels geldt, zal nader onderzoek vergen.

Ook merk je dat het groepje woorden dat slechts in één Middelbretonse tekst opduikt (en later in het (vroeg)modern Bretons ook niet meer verschijnt), zoals bijvoorbeeld de Latijns aandoende werkwoordsvorm vaticiner ‘ik voorspel (?)’ in de Buhez santes Nonn, áltijd met een v wordt geschreven. Dit soort woorden noem ik in mijn scriptie ‘nonce loans’, wat wil zeggen dat het woorden zijn uit het Frans (of Latijn) die niet zijn geaccepteerd in het Bretons, maar die de auteur van de tekst als enige gebruikt gebaseerd op zijn kennis van één van die vreemde talen. Vaker voorkomende woorden, of ‘established loans’, worden óók vaker dan niet met een v geschreven, maar woorden die een b-vorm krijgen, komen altijd in meer dan één tekst voor. Mijns inziens vertelt dit ons dat die woorden een bepaalde grens van ‘geaccepteerdheid’ hebben overschreden: als een leenwoord een b krijgt, dan betekent dat dat het moet zijn geaccepteerd in het Bretons. Maar als een leenwoord de v behoudt, dan kun je over ‘geaccepteerd’ niets zeggen.

Verder kom je nog allerlei andere bijzondere dingen tegen. Zoals gezegd werden de mutaties niet netjes opgeschreven, maar zijn er wel een aantal uitzonderingen te vinden op deze regel. Mijn favoriete plek waar mutaties onverwacht opduiken in spelling (van leenwoorden én van Bretonse woorden), is in twee korte Middelbretonse passages uit Franstalige teksten: het Credo, en een dialoogje uit de Farce de Maistre Pathelin. Die teksten zitten zo boordevol spellingsfouten dat de kans zeer reëel is dat Franse monniken zonder enige kennis van de Bretonse spellingsnormen (of überhaupt van het Bretons) deze teksten hebben gecomponeerd. Maar als ze geen kennis hadden van het Bretons, is het opmerkelijk dat er mutaties in spelling verschijnen op precies de plekken waar je ze verwacht. Een suggestie die je daarom kunt doen is dat die teksten misschien wel zijn gedicteerd door hun Bretonstalige collega’s, die de mutaties natuurlijk wel uitspraken.

Om af te sluiten, wil ik jou, de lezer, iets meegeven, of je nu nét klaar bent met de middelbare school, in het tweede jaar zit van je bachelor, of misschien óók ‒ net als ik een halfjaar geleden ‒ aan je masterscriptie schrijft. Soms komt er iets op je pad dat je heel leuk lijkt, maar waar je over twijfelt omdat het té apart is, of té ver lijkt van je capaciteiten. Misschien zit je in je eindexamenjaar en denk je: ‘ik wil wel Keltisch studeren, maar daar krijg ik geen baan mee’. Misschien zit je aan je scriptie en denk je: ‘daar is bijna niks over geschreven, dus ik ga niks vinden’. Tegen jou wil ik zeggen: ga er wél voor, want door de vreemdere dingen in het leven een kans te geven, ontdek je zoveel meer dan wanneer je hetzelfde pad bewandelt als de meesten.

Zelf ga ik dit advies ook opvolgen. Op dit moment geef ik les op de opleiding Keltisch, en mijn doel is uiteindelijk onderzoek te doen. En als dat nou niet uitpakt? Dan word ik iets heel anders: de eerste bakker in Nederland met een masterscriptie over Middelbretonse taalkunde.